trappist
zelfstandig naamwoordBetekenis
- monnik van de orde der trappisten, een van de cisterciënzers afgescheiden orde
- donker bier dat door monniken van de orde der cisterciënzers gebrouwen wordt
zelfstandig naamwoord — masculine
- monnik behorend tot de orde der trappisten, een van de cisterciënzers afgescheiden orde
- soort donker bier dat door monniken van de orde der cisterciënzers gebrouwen wordt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| trappisten | meervoud |
| trappistje | verkleinwoord, enkelvoud |
| trappistjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘monnik van een orde die bij de cisterciënzers hoort’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van trappist
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trappisten | meervoud | trappist |
| trappistje | verkleinwoord | trappist |
| trappistjes | verkleinwoord meervoud | trappist |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trappist zijn vastgelegd.