toom
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- riem of koord waarmee men een rij- of trekdier bestuurt, zowel gebruikt voor elke riem afzonderlijk, als voor beide samen. Een synoniem voor toom is teugel
- (van een vlieger) touw of touwtjes waarmee de helling van een op te laten vlieger bepaald wordt, waarvan het stijgen afhangt
- vlucht, koppel (m.n. van wilde eenden)
- bijeenbehorende troep hoenders of eenden
- broedsel
- worp, nest
- (gewestelijk) visrijke plek, plek waarheen de vis trekt
- stel riemen om de borst van een kind, met een leidsel, waaraan men een klein kind laat lopen
zelfstandig naamwoord — masculine
- riem of koord waarmee men een rij- of trekdier bestuurt, zowel gebruikt voor elke riem afzonderlijk, als voor beide samen.
- touw of touwtjes waarmee de helling van een op te laten vlieger bepaald wordt, waarvan het stijgen afhangt
- visrijke plek, plek waarheen de vis trekt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tomen | meervoud |
| toompje | verkleinwoord, enkelvoud |
| toompjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tomen
- gebiedende wijs van tomen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tomen
Vervoeging van toom
toomhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘stuurriem van rijdier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901.
Woordfamilie van toom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tomen | meervoud | toom |
| toompjes | verkleinwoord meervoud | toom |
| getoomd | woordvorm | tomen |
| getoomde | woordvorm | tomen |
| tome | woordvorm | tomen |
| tomend | woordvorm | tomen |
| tomende | woordvorm | tomen |
| toomde | woordvorm | tomen |
| toomden | woordvorm | tomen |
| toomt | woordvorm | tomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toom zijn vastgelegd.