tonen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /tonə(n)/Betekenis
- een bepaalde indruk geven
- laten zien
- duidelijk maken
- blijken te bezitten
- zich ~: zich doen kennen als
Hoe spreek je tonen uit?
/tonən/
Tonen bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| o | boot |
| n | nek |
| ə | de |
Vervoeging van tonen
tonenhele werkwoord — toondeverleden tijd enkelvoud — toondenverleden tijd meervoud — getoondvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | toon | toonde |
| jij | toont | toonde |
| hij, zij, het | toont | toonde |
| wij | tonen | toonden |
| jullie | tonen | toonden |
| zij | tonen | toonden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben getoond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent getoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is getoond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getoond | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getoond | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getoond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getoond worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getoond zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getoond worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getoond zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getoond | verleden tijd, deelwoord |
| getoond te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getoond te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getoond te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getoond te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getoond te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getoond worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getoond zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getoond zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getoond zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getoond zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getoond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getoond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getoond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getoond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getoond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is getoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is getoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getoond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tonen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tonen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tone | aanvoegende wijs |
| tone zich | aanvoegende wijs |
| tonen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| tonen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| tonen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| tonend | onvoltooid, deelwoord |
| toon | gebiedende wijs |
| toon me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| toon u/je , toont je | gebiedende wijs |
| toonde | verleden tijd |
| toonde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| toonde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| toonde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| toonde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| toonde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| toonde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| toonde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| toonden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| toonden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| toonden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| toont je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| toont u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| toont u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| toont zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| toont zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| toont zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| waart getoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getoond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren getoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was getoond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was getoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was getoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd getoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd getoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd getoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden getoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden getoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden getoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt getoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word getoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden getoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden getoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden getoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt getoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt getoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal getoond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getoond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getoond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal getoond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getoond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal getoond zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getoond zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me tonen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal tonen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tonen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tonen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich tonen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je tonen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich getoond hebben | verleden tijd |
| zich tonend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn getoond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn getoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn getoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt getoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou getoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou getoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou getoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden getoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden getoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getoond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getoond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getoond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getoond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord toon
Herkomst
In de betekenis van ‘laten zien’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van tonen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getoond | voltooid deelwoord | tonen |
| tone | aanvoegende wijs | tonen |
| tonend | onvoltooid deelwoord | tonen |
| tonende | woordvorm | tonen |
| toonde | verleden tijd | tonen |
| toonden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tonen |
| toont | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tonen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tonen zijn vastgelegd.