tentoonspreiden
werkwoord /tɛnˈtonsprɛidə(n)/Betekenis
- laten zien
Hoe spreek je tentoonspreiden uit?
/tɛnˈtonsprɛidən/
Tentoonspreiden bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| o | boot |
| s | sok |
| p | pak |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van tentoonspreiden
tentoonspreidenhele werkwoord — spreidde tentoonverleden tijd enkelvoud — spreidden tentoonverleden tijd meervoud — tentoongespreidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spreid tentoon | spreidde tentoon |
| jij | spreidt tentoon | spreidde tentoon |
| hij, zij, het | spreidt tentoon | spreidde tentoon |
| wij | spreiden tentoon | spreidden tentoon |
| jullie | spreiden tentoon | spreidden tentoon |
| zij | spreiden tentoon | spreidden tentoon |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben tentoongespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent tentoongespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is tentoongespreid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was tentoongespreid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd tentoongespreid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt tentoongespreid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal tentoongespreid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal tentoongespreid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou tentoongespreid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou tentoongespreid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had tentoongespreid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had tentoongespreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had tentoongespreid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden tentoongespreid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden tentoongespreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden tentoongespreid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt tentoongespreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb tentoongespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tentoongespreid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben tentoongespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben tentoongespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben tentoongespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt tentoongespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tentoongespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft tentoongespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is tentoongespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is tentoongespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| spreid tentoon | gebiedende wijs |
| spreidde tentoon | verleden tijd |
| te hebben tentoongespreid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tentoonspreiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tentoon te spreiden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| tentoon te zullen spreiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tentoon zal spreiden | bijzin, toekomende tijd |
| tentoon zou spreiden | bijzin, voorwaardelijk |
| tentoon zouden spreiden | bijzin, voorwaardelijk |
| tentoon zoudt spreiden | bijzin, voorwaardelijk |
| tentoon zullen spreiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tentoon zullen spreiden | bijzin, toekomende tijd |
| tentoon zult spreiden | bijzin, toekomende tijd |
| tentoongespreid | verleden tijd, deelwoord |
| tentoongespreid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| tentoongespreid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| tentoongespreid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tentoongespreid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tentoongespreid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tentoongespreid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| tentoongespreid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| tentoongespreid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tentoongespreid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tentoongespreid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| tentoonspreid | bijzin, tegenwoordige tijd |
| tentoonspreidde | bijzin, verleden tijd |
| tentoonspreidden | bijzin, verleden tijd |
| tentoonspreidend | onvoltooid, deelwoord |
| tentoonspreidt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart tentoongespreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren tentoongespreid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren tentoongespreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren tentoongespreid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was tentoongespreid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was tentoongespreid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was tentoongespreid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd tentoongespreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd tentoongespreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd tentoongespreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden tentoongespreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden tentoongespreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden tentoongespreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt tentoongespreid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word tentoongespreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden tentoongespreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden tentoongespreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden tentoongespreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt tentoongespreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt tentoongespreid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal tentoongespreid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal tentoongespreid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal tentoongespreid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tentoongespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal tentoongespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal tentoongespreid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal tentoongespreid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tentoonspreiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tentoonspreiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tentoonspreiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal tentoonspreiden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn tentoongespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn tentoongespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn tentoongespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt tentoongespreid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou tentoongespreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou tentoongespreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou tentoongespreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tentoongespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou tentoongespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou tentoongespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou tentoongespreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou tentoongespreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou tentoongespreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tentoonspreiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tentoonspreiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tentoonspreiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou tentoonspreiden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) tentoonspreiden tentoon zou(dt) spreiden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden tentoongespreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden tentoongespreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden tentoongespreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tentoongespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tentoongespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tentoongespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tentoongespreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden tentoongespreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden tentoongespreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tentoonspreiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tentoonspreiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tentoonspreiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden tentoonspreiden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt tentoongespreid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tentoongespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tentoongespreid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tentoonspreiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt tentoonspreiden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen tentoongespreid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen tentoongespreid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen tentoongespreid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tentoongespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tentoongespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tentoongespreid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tentoongespreid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen tentoongespreid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen tentoongespreid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tentoonspreiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tentoonspreiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tentoonspreiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tentoonspreiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen tentoonspreiden | bijzin, toekomende tijd |
| zult tentoongespreid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van ten, toon en spreiden.
Woordfamilie van tentoonspreiden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spreid tentoon | gebiedende wijs | tentoonspreiden |
| spreidde tentoon | verleden tijd | tentoonspreiden |
| spreidden tentoon | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tentoonspreiden |
| spreide tentoon | woordvorm | tentoonspreiden |
| spreiden tentoon | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | tentoonspreiden |
| spreidt tentoon | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tentoonspreiden |
| tentoongespreid | voltooid deelwoord | tentoonspreiden |
| tentoongespreide | woordvorm | tentoonspreiden |
| tentoonspreid | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tentoonspreiden |
| tentoonspreidde | subordinate-clause, verleden tijd | tentoonspreiden |
| tentoonspreidden | subordinate-clause, verleden tijd | tentoonspreiden |
| tentoonspreide | with-subordinate-clause | tentoonspreiden |
| tentoonspreidend | onvoltooid deelwoord | tentoonspreiden |
| tentoonspreidende | woordvorm | tentoonspreiden |
| tentoonspreidt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | tentoonspreiden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tentoonspreiden zijn vastgelegd.