spruitkool
zelfstandig naamwoordBetekenis
- 'spruitjes' gegeten worden.
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een variëteit Brassica oleracea convar. oleracea var. gemmifera van een koolsoort waarvan de gekookte okselknoppen als "spruitjes" gegeten worden.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spruitkolen | meervoud |
| spruitkooltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spruitkooltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van spruit en kool
Woordfamilie van spruitkool
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spruitkolen | meervoud | spruitkool |
| spruitkooltje | verkleinwoord | spruitkool |
| spruitkooltjes | verkleinwoord meervoud | spruitkool |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spruitkool zijn vastgelegd.