Naar de inhoud

schakeren

met afwisseling (van kleur) schikken

schakeren

werkwoord

Betekenis

  1. met afwisseling (van kleur) schikken

Vervoeging van schakeren

schakerenhele werkwoord — schakeerdeverleden tijd enkelvoud — schakeerdenverleden tijd meervoud — geschakeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schakeer schakeerde
jij schakeert schakeerde
hij, zij, het schakeert schakeerde
wij schakeren schakeerden
jullie schakeren schakeerden
zij schakeren schakeerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
geschakeerd verleden tijd, deelwoord
geschakeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschakeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschakeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschakeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschakeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschakeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschakeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschakeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschakeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschakeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschakeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschakeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschakeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschakeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschakeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschakeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschakeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schakeer gebiedende wijs
schakeerde verleden tijd
schakere aanvoegende wijs
schakerend onvoltooid, deelwoord
te hebben geschakeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te schakeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schakeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geschakeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschakeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschakeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal schakeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schakeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schakeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geschakeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschakeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschakeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou schakeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schakeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schakeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geschakeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschakeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschakeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schakeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schakeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schakeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geschakeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schakeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geschakeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschakeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschakeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen schakeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schakeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schakeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schakeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geschakeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult schakeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘met afwisseling schikken’ voor het eerst aangetroffen in 1340

Woordfamilie van schakeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
schakeer gebiedende wijs schakeren
schakeerde verleden tijd schakeren
schakeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon schakeren
schakeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon schakeren
schakere aanvoegende wijs schakeren
schakerend onvoltooid deelwoord schakeren
schakerende woordvorm schakeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schakeren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over schakeren

Wat is de betekenis van schakeren?
Schakeren is een werkwoord. De betekenis is: met afwisseling (van kleur) schikken.
Hoe vervoeg ik schakeren?
Zo vervoeg je schakeren zo: de tegenwoordige tijd is schakeer, de verleden tijd is schakeerde en het voltooid deelwoord is geschakeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord schakeren is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. A 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

schakeren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. A 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

schakeren in het kort

schakeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van schakeren staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort schakeren bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

schakeren: met afwisseling (van kleur) schikken
Deel schakeren — standaardnederlands.nl