schakeren
werkwoordBetekenis
- met afwisseling (van kleur) schikken
Vervoeging van schakeren
schakerenhele werkwoord — schakeerdeverleden tijd enkelvoud — schakeerdenverleden tijd meervoud — geschakeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schakeer | schakeerde |
| jij | schakeert | schakeerde |
| hij, zij, het | schakeert | schakeerde |
| wij | schakeren | schakeerden |
| jullie | schakeren | schakeerden |
| zij | schakeren | schakeerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geschakeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geschakeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschakeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschakeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschakeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschakeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschakeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschakeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschakeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschakeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschakeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschakeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschakeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschakeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschakeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschakeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschakeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschakeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schakeer | gebiedende wijs |
| schakeerde | verleden tijd |
| schakere | aanvoegende wijs |
| schakerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschakeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schakeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schakeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschakeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschakeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschakeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschakeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschakeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschakeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschakeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschakeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschakeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschakeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schakeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschakeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschakeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschakeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schakeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschakeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schakeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘met afwisseling schikken’ voor het eerst aangetroffen in 1340
Woordfamilie van schakeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schakeer | gebiedende wijs | schakeren |
| schakeerde | verleden tijd | schakeren |
| schakeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schakeren |
| schakeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schakeren |
| schakere | aanvoegende wijs | schakeren |
| schakerend | onvoltooid deelwoord | schakeren |
| schakerende | woordvorm | schakeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schakeren zijn vastgelegd.