schaken
werkwoordBetekenis
- het spel schaak spelen
- ontvoeren (vooral m.b.t. vrouwen, ook in de zin van: een meisje inpalmen)
werkwoord
- het schaakspel spelen unergative
- het ontvoeren (vooral m.b.t. vrouwen, in afgezwakte zin ook: een meisje inpalmen) transitive
Vervoeging van schaken
schakenhele werkwoord — schaakteverleden tijd enkelvoud — schaaktenverleden tijd meervoud — geschaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schaak | schaakte |
| jij | schaakt | schaakte |
| hij, zij, het | schaakt | schaakte |
| wij | schaken | schaakten |
| jullie | schaken | schaakten |
| zij | schaken | schaakten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geschaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschaakt | verleden tijd, deelwoord |
| geschaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schaak | gebiedende wijs |
| schaakte | verleden tijd |
| schake | aanvoegende wijs |
| schakend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schaken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘een vrouw ontvoeren’ voor het eerst aangetroffen in 1181
Woordfamilie van schaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschaakt | voltooid deelwoord | schaken |
| geschaakte | woordvorm | schaken |
| schaakt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schaken |
| schaakte | verleden tijd | schaken |
| schaakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schaken |
| schake | aanvoegende wijs | schaken |
| schakend | onvoltooid deelwoord | schaken |
| schakende | woordvorm | schaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schaken zijn vastgelegd.