pat
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord pɑtBetekenis
- remise doordat een speler geen zet meer kan doen zonder dat zijn koning daardoor schaak komt te staan
- reep stof met een knoopsgat aan het uiteinde en met het andere uiteinde bevestigd aan het kledingstuk
- klep, bijvoorbeeld over een zak
- gekleurd strookje stof op een uniform als achtergrond van een onderscheidingsteken, in het bijzonder een bies op de kraag
- een van beide houders die het wiel in de vork houden, deel van het frame of zelfstandig te bevestigen onderdeel
- alleen predicatief in een toestand waarin een speler geen enkele zet meer kan doen zonder dat zijn koning daardoor schaak komt te staan
- patstelling
- voet
- zelfs
- beitel
- bed
Hoe spreek je pat uit?
/pɑt/
Pat bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| t | tak |
Klinkt hetzelfde als pad.
zelfstandig naamwoord — neuter
- stand op het bord waarbij sprake is van remise doordat een speler geen zet meer kan doen zonder dat zijn koning daardoor schaak komt te staan
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| patje | verkleinwoord |
| patjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| patten | enkelvoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| patje | verkleinwoord |
| patjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| patten | enkelvoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘stand waarop de koning moet spelen en dan schaak komt te staan’ voor het eerst aangetroffen in 1855
Woordfamilie van pat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| patje | verkleinwoord | pat |
| patjes | verkleinwoord | pat |
| patten | enkelvoud | pat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pat zijn vastgelegd.