malen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /malə(n)/Betekenis
- (water) uitpompen met een molen of gemaal
- kauwen
- een hoeveelheid die het veelvoud is van het oorspronkelijk genoemde
- (koren) fijnmalen
Hoe spreek je malen uit?
/malən/
Malen bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
werkwoord
- tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven transitive
- uitpompen met een molen of gemaal transitive
Vervoeging van malen
malenhele werkwoord — gemalenvoltooid deelwoord
Alle 2 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gemalen | verleden tijd, deelwoord |
| maalde | verleden tijd |
werkwoord
- vervelende gedachten door het hoofd laten gaan, tobben intransitive
- schilderen obsolete
Vervoeging van malen
malenhele werkwoord — gemaaldvoltooid deelwoord
Alle 2 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gemaald | verleden tijd, deelwoord |
| maalde | verleden tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord maal
Herkomst
In de betekenis van ‘fijnmaken’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van malen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemaald | voltooid deelwoord | malen |
| gemaalde | woordvorm | malen |
| maalde | verleden tijd | malen |
| maalden | woordvorm | malen |
| maalt | woordvorm | malen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van malen zijn vastgelegd.