herenboer
zelfstandig naamwoordBetekenis
- rijke boer die als een heer leeft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| herenboeren | meervoud |
| herenboertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| herenboertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘heer die uit liefhebberij het boerenbedrijf uitoefent’ voor het eerst aangetroffen in 1877
Woordfamilie van herenboer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| herenboeren | meervoud | herenboer |
| herenboertje | verkleinwoord | herenboer |
| herenboertjes | verkleinwoord meervoud | herenboer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van herenboer zijn vastgelegd.