heep
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een gekromd snoeimes voor takken en bomen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| heepje | verkleinwoord, enkelvoud |
| heepjes | verkleinwoord, meervoud |
| hepen | meervoud |
Herkomst
erfwoord: Middelnederlands hēpe, met umlaut uit West-Germaans *hapjō- of *hapja-, bij Indo-Europees *kep- ~ *(s)kop- ‘hakken’, waartoe ook Oudgrieks kopís ‘slachtmes’, Litouws kapóti ‘hakken, fijnsnijden’, kapõnė, kaplỹs ‘houweel, ijsbijl’ en Russisch kopát’ ‘graven’ behoren. Evenals Duits Hippe, gewestelijk Heppe. Nevenvorm bij hiep; verwantschap met hacht.
Woordfamilie van heep
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| heepje | verkleinwoord | heep |
| heepjes | verkleinwoord meervoud | heep |
| hepen | meervoud | heep |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heep zijn vastgelegd.