haksel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- het fijngehakte (stro, takken, plantenafval etc.)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hakselen
- gebiedende wijs van hakselen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hakselen
Vervoeging van haksel
hakselhele werkwoord
Herkomst
Naamwoord van handeling van hakken met het achtervoegsel -sel