groot
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord /ɣroːt/Betekenis
- meer dan normaal in formaat
- bewonderenswaardig, goed
- machtig, belangrijk
- volwassen
- in ruime mate
- een van oorsprong Italiaanse munt die tot 1496 ook in Vlaanderen gebruikt werd
Hoe spreek je groot uit?
/xrot/
Groot bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| o | boot |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘niet klein’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1177
Woordfamilie van groot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| grootjes | meervoud | groot |
| groten | meervoud | groot |
| groter | vergrotende trap | groot |
| grotere | verbogen vergrotende trap | groot |
| groters | partitieve vergrotende trap | groot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van groot zijn vastgelegd.