bondgenoot
zelfstandig naamwoord ˈbɔntxəˌnotBetekenis
- een andere macht waarmee een afspraak gemaakt is aan dezelfde zijde te zullen strijden
- iemand waarmee je samenwerkt en die je steunt
Hoe spreek je bondgenoot uit?
/ˈbɔntxəˌnot/
Bondgenoot bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| x | acht |
| ə | de |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bondgenootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bondgenootjes | verkleinwoord, meervoud |
| bondgenoten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘deelgenoot, helper’ voor het eerst aangetroffen in 1599
Woordfamilie van bondgenoot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bondgenootje | verkleinwoord | bondgenoot |
| bondgenootjes | verkleinwoord meervoud | bondgenoot |
| bondgenoten | meervoud | bondgenoot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bondgenoot zijn vastgelegd.