groothandel
zelfstandig naamwoord ˈɣrothɑndəlBetekenis
- de handel die producten van fabrikanten koopt en doorverkoopt aan o.a. kleinhandelaars.
- een bedrijf die producten van fabrikanten koopt en doorverkoopt aan o.a. kleinhandelaars.
Hoe spreek je groothandel uit?
/ˈxrothɑndəl/
Groothandel bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| o | boot |
| t | tak |
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| groothandels | meervoud |
| groothandeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| groothandeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘koop en verkoop in het groot’ voor het eerst aangetroffen in 1857
Woordfamilie van groothandel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| groothandels | meervoud | groothandel |
| groothandeltje | verkleinwoord | groothandel |
| groothandeltjes | verkleinwoord meervoud | groothandel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van groothandel zijn vastgelegd.