brood
zelfstandig naamwoord /broːt/Betekenis
- een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
- gebroed, broedsel
- broeden
- ergens op zinnen, meestal in kwaadaardige zin
Hoe spreek je brood uit?
/brot/
Brood bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| o | boot |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- levensonderhoud, beroepsmatige inkomsten figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| broden | meervoud |
| broodje | verkleinwoord, enkelvoud |
| broodjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘baksel uit gerezen deeg’ voor het eerst aangetroffen in 1101. Van Protogermaans *braudą. Mogelijk ook verwant met brouwen [1].
Woordfamilie van brood
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brode | neuter | brood |
| broden | meervoud | brood |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brood zijn vastgelegd.