begroten
werkwoordBetekenis
- de grootte (bedrag, aantal) van iets met een calculatie inschatten
Vervoeging van begroten
begrotenhele werkwoord — begrootteverleden tijd enkelvoud — begroottenverleden tijd meervoud — begrootvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | begroot | begrootte |
| jij | begroot | begrootte |
| hij, zij, het | begroot | begrootte |
| wij | begroten | begrootten |
| jullie | begroten | begrootten |
| zij | begroten | begrootten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| begroot | gebiedende wijs |
| begroot | verleden tijd, deelwoord |
| begroot te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| begroot te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| begroot te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| begroot te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| begroot te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| begroot worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| begroot zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| begroot zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| begroot zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| begroot zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| begrootte | verleden tijd |
| begrote | aanvoegende wijs |
| begrotend | onvoltooid, deelwoord |
| ben begroot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent begroot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is begroot | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was begroot | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd begroot | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt begroot | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal begroot worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal begroot zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou begroot worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou begroot zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had begroot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had begroot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had begroot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden begroot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden begroot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden begroot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt begroot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb begroot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben begroot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben begroot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben begroot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben begroot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt begroot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft begroot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft begroot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is begroot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is begroot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te begroten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben begroot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen begroten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart begroot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren begroot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren begroot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren begroot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was begroot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was begroot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was begroot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd begroot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd begroot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd begroot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden begroot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden begroot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden begroot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt begroot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word begroot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden begroot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden begroot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden begroot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt begroot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt begroot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal begroot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal begroot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal begroot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal begroot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal begroot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal begroot zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal begroot zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal begroten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal begroten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal begroten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn begroot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn begroot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn begroot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt begroot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou begroot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou begroot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou begroot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou begroot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou begroot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou begroot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou begroot zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou begroot zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou begroot zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou begroten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou begroten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou begroten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden begroot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden begroot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden begroot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden begroot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden begroot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden begroot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden begroot zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden begroot zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden begroot zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden begroten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden begroten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden begroten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt begroot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt begroot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt begroot zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt begroten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen begroot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen begroot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen begroot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen begroot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen begroot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen begroot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen begroot zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen begroot zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen begroot zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen begroten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen begroten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen begroten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen begroten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult begroot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult begroot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult begroot zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult begroten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van groot of groten met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -en.
Woordfamilie van begroten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| begroot | voltooid deelwoord | begroten |
| begrootte | verleden tijd | begroten |
| begrootten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | begroten |
| begrote | aanvoegende wijs | begroten |
| begrotend | onvoltooid deelwoord | begroten |
| begrotende | woordvorm | begroten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van begroten zijn vastgelegd.