ruim
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord /rœy̯m/Betekenis
- van grote omvang of uitgestrektheid
- meer dan ongeveer; meer dan genoeg
- de laadruimte van een schip
Hoe spreek je ruim uit?
/rœym/
Ruim bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| œy | huis |
| m | maan |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ruime | verbogen, stellende trap |
| ruimer | onverbogen, vergrotende trap |
| ruimere | verbogen, vergrotende trap |
| ruimers | partitief, vergrotende trap |
| ruims | partitief, stellende trap |
| ruimst | onverbogen, overtreffende trap |
| ruimste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruimen
- gebiedende wijs van ruimen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruimen
Vervoeging van ruim
ruimhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘uitgestrekt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 698
Woordfamilie van ruim
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ruimere | verbogen vergrotende trap | ruim |
| ruims | partitive, positive | ruim |
| ruimst | uninflected, superlative | ruim |
| ruimste | inflected, superlative | ruim |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ruim zijn vastgelegd.