echtgenoot
zelfstandig naamwoord /ˈɛxtxəˌnot/Betekenis
- een mannelijke huwelijkspartner
- een huwelijkspartner
Hoe spreek je echtgenoot uit?
/ˈɛxtxəˌnot/
Echtgenoot bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛ | bed |
| x | acht |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| echtgenootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| echtgenootjes | verkleinwoord, meervoud |
| echtgenoten | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘man met wie iemand getrouwd is’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1631
Woordfamilie van echtgenoot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| echtgenootje | verkleinwoord | echtgenoot |
| echtgenootjes | verkleinwoord meervoud | echtgenoot |
| echtgenoten | meervoud | echtgenoot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van echtgenoot zijn vastgelegd.