noot
zelfstandig naamwoord /noːt/Betekenis
- iedere grote, oliehoudende vrucht (of het zaad ervan) met een pit in een al dan niet harde schaal en die in voedsel wordt gebruikt
- droge, niet-openspringende, eenzadige, enkelvoudige boomvrucht met verhoute vruchtwand; echte noot
- een schriftteken voor een geluid van zekere tijdsduur en toonhoogte, een muzieknoot
- aantekening onder of achter een tekst, een voetnoot
Hoe spreek je noot uit?
/not/
Noot bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| o | boot |
| t | tak |
Klinkt hetzelfde als nood.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| nootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| nootjes | verkleinwoord, meervoud |
| noten | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘eetbaar, oliehoudend zaad met harde dop’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285.
Woordfamilie van noot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| nootje | verkleinwoord | noot |
| nootjes | verkleinwoord meervoud | noot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van noot zijn vastgelegd.