suikerbrood
zelfstandig naamwoord ˈsœykərˌbrotBetekenis
- uit suiker, (kaneel, eieren) en bloem samengesteld brood
- (var. foliosum) een bladgroente die het midden houdt tussen witlof en andijvie
Hoe spreek je suikerbrood uit?
/ˈsœykərˌbrot/
Suikerbrood bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| œy | huis |
| k | kat |
| ə | de |
| r | rood |
| b | bak |
| o | boot |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — neuter
- bepaalde bladgroente Cichorium intybus (var. foliosum) die het midden houdt tussen witlof en andijvie
- kegelvormige klomp van ongeveer 5 kilo suiker, bestemd voor vervoer naar een plaats waar deze zoetstof verder wordt verwerkt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| suikerbroden | meervoud |
| suikerbroodje | verkleinwoord, enkelvoud |
| suikerbroodjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van suiker zn en brood zn
Woordfamilie van suikerbrood
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| suikerbroden | meervoud | suikerbrood |
| suikerbroodje | verkleinwoord | suikerbrood |
| suikerbroodjes | verkleinwoord meervoud | suikerbrood |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van suikerbrood zijn vastgelegd.