door
voorzetsel, bijwoord, zelfstandig naamwoord /ˈdoːr/Betekenis
- de handelende persoon bij een lijdende vorm
- de oorzaak
- in
- tijdens, gedurende
- doorheen, binnenin van de ene kant naar de andere kant
- doorheen, aan de ene kant naar binnen en aan de andere kant naar buiten
- als achterzetsel: doorheen, van de ene kant naar de andere kant, aan de ene kant naar binnen en aan de andere kant naar buiten
- Belangrijk: strikt gesproken moet zo'n achterzetsel grammaticaal worden opgevat als een door (1.)
- als achterzetsel: van het begin tot het einde, gedurende
- door ... te + infinitief; de procedure die gevolgd wordt om het doel te bereiken
- de ene stof is door de andere gemengd
- doorrennen: Hij rende de gang door, en belandde in de keuken.
- doornemen: Ik neem de informatie door.
- dwaas
- centrale deel van vogelei
- deur
- beginnen, starten
Hoe spreek je door uit?
/ˈdor/
Door bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| o | boot |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord met klemtoon op dóór,
- als eerste deel van een onscheidbaar werkwoord, zonder klemtoon op door
- helemaal intensifier, prefix
- prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
Herkomst
erfwoord, als voorzetsel aangetroffen vanaf 901
Woordfamilie van door
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doortje | woordvorm | door |
| doortjes | meervoud | door |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van door zijn vastgelegd.