kantoor
zelfstandig naamwoord kɑnˈtorBetekenis
- een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
Hoe spreek je kantoor uit?
/kɑnˈtor/
Kantoor bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| o | boot |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- werkruimte met een of meer bureau's
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kantoortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kantoortjes | verkleinwoord, meervoud |
| kantoren | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans comptoir, in de betekenis van ‘werkvertrek, bureau’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1524
Woordfamilie van kantoor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kantoortje | verkleinwoord | kantoor |
| kantoortjes | verkleinwoord meervoud | kantoor |
| kantore | neuter | kantoor |
| kantoren | meervoud | kantoor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kantoor zijn vastgelegd.