doorbrengen
werkwoordBetekenis
- een zekere tijd ergens verblijven
- een zekere tijd ergens mee bezig zijn
Vervoeging van doorbrengen
doorbrengenhele werkwoord — bracht doorverleden tijd enkelvoud — brachten doorverleden tijd meervoud — doorgebrachtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | breng door | bracht door |
| jij | brengt door | bracht door |
| hij, zij, het | brengt door | bracht door |
| wij | brengen door | brachten door |
| jullie | brengen door | brachten door |
| zij | brengen door | brachten door |
Alle 107 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| bracht door | verleden tijd |
| breng door | gebiedende wijs |
| door te brengen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen brengen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal brengen | bijzin, toekomende tijd |
| door zou brengen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden brengen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt brengen | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen brengen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen brengen | bijzin, toekomende tijd |
| door zult brengen | bijzin, toekomende tijd |
| doorbracht | bijzin, verleden tijd |
| doorbrachten | bijzin, verleden tijd |
| doorbreng | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorbrengend | onvoltooid, deelwoord |
| doorbrengt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorgebracht | verleden tijd, deelwoord |
| doorgebracht te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorgebracht te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorgebracht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgebracht te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgebracht te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgebracht worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorgebracht zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorgebracht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgebracht zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgebracht zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| er is doorgebracht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was doorgebracht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd doorgebracht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt doorgebracht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal doorgebracht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doorgebracht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou doorgebracht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doorgebracht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doorgebracht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorgebracht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorgebracht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorgebracht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorgebracht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorgebracht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorgebracht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgebracht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben doorgebracht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorbrengen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren doorgebracht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorgebracht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd doorgebracht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden doorgebracht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden doorgebracht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt doorgebracht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorbrengen | bijzin, toekomende tijd |
| zal doorgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorgebracht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn doorgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou doorbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorbrengen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou doorgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou doorgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou doorgebracht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) doorbrengen door zou(dt) brengen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doorbrengen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doorgebracht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt doorbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doorbrengen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doorgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen doorbrengen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doorbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doorbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doorbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen doorbrengen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen doorgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doorgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doorgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen doorgebracht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult doorbrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult doorbrengen | bijzin, toekomende tijd |
| zult doorgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal doorbrengen door zult/zal brengen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van door bw en brengen ww
Woordfamilie van doorbrengen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bracht door | verleden tijd | doorbrengen |
| brachten door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doorbrengen |
| breng door | gebiedende wijs | doorbrengen |
| brenge door | woordvorm | doorbrengen |
| brengen door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doorbrengen |
| brengt door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doorbrengen |
| doorbracht | subordinate-clause, verleden tijd | doorbrengen |
| doorbrachten | subordinate-clause, verleden tijd | doorbrengen |
| doorbreng | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorbrengen |
| doorbrenge | with-subordinate-clause | doorbrengen |
| doorbrengend | onvoltooid deelwoord | doorbrengen |
| doorbrengende | woordvorm | doorbrengen |
| doorbrengt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorbrengen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorbrengen zijn vastgelegd.