voor
voorzetsel, voegwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord vorBetekenis
- dichterbij dan (gezien vanaf de spreker of anderszins)
- aan de voorkant
- eerder komend in de bewegingsrichting
- eerder in tijd
- eerder in volgorde
- eerder in rangorde
- ten behoeve van, ten gunste van
- eens met, positief tegenover, ten gunste van, pro
- wat betreft, met betrekking tot, aangaande
- tegen de prijs van, ten bedrage van, tegen
- in plaats van, ter vervanging van
- lijken|lijkend op, beschouwen|beschouwd als
- onderschikkend: voordat, aleer, eerder in tijd dan
- () eens, positief
- voorbehandelen: De schilder behandelde het hout voor met beits.
- ervoor: Hij gaat er morgen de bak voor in.
- positief argument of positieve kant
- een met een ploeg gemaakte greppel in de aarde
Hoe spreek je voor uit?
/vor/
Voor bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| o | boot |
| r | rood |
Klinkt hetzelfde als vóór.
voorzetsel
- lijkend op, beschouwd als
Verbuiging en vervoeging (voorzetsel)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vr, vr. |
bijwoord
- eens, positief
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
zelfstandig naamwoord — neuter
- lange, smalle en ondiepe insnijding in een akker, gewoonlijk door een ploeg aangebracht
Herkomst
In de betekenis van ‘voorzetsel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van voor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| voors | meervoud | voor |
| voortje | woordvorm | voor |
| voortjes | meervoud | voor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voor zijn vastgelegd.