doorbreken
werkwoord ˈdorbrekə(n)Betekenis
- breken zodat er een doorgang ontstaat.
- een einde aan een heersende situatie maken.
Hoe spreek je doorbreken uit?
/ˈdorbrekən/
Doorbreken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| o | boot |
| r | rood |
| b | bak |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- in twee stukken uit elkaar laten vallen door met kracht te buigen transitive
- op een of meer plaatsen onder de druk van het water bezwijken ergative
- met kracht een doorgang maken, een weg door iets heen forceren ergative
- een bekendheid en waardering bereiken die nodig is om succes te hebben ergative
Vervoeging van doorbreken
doorbrekenhele werkwoord — brak doorverleden tijd enkelvoud — braken doorverleden tijd meervoud — doorbrokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | breek door | brak door |
| jij | breekt door | braakt door |
| hij, zij, het | breekt door | brak door |
| wij | breken door | braken door |
| jullie | breken door | braken door |
| zij | breken door | braken door |
Alle 202 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben doorgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doorgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| brak door | verleden tijd |
| breek door | gebiedende wijs |
| door te breken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen breken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal breken | bijzin, toekomende tijd |
| door zou breken | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden breken | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt breken | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen breken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen breken | bijzin, toekomende tijd |
| door zult breken | bijzin, toekomende tijd |
| doorbraakt | bijzin, verleden tijd |
| doorbrak | bijzin, verleden tijd |
| doorbraken | bijzin, verleden tijd |
| doorbreek | gebiedende wijs |
| doorbreek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorbreekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorbreke | aanvoegende wijs |
| doorbrekend | onvoltooid, deelwoord |
| doorbroken | verleden tijd, deelwoord |
| doorbroken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorbroken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorbroken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorbroken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorbroken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorbroken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorbroken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorbroken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorbroken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorbroken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgebroken | verleden tijd, deelwoord |
| doorgebroken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorgebroken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorgebroken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgebroken te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgebroken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgebroken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorgebroken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorgebroken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgebroken zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgebroken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| dóórbreken | canonical |
| er is doorbroken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er is doorgebroken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was doorbroken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er was doorgebroken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd doorbroken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er werd doorgebroken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt doorbroken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er wordt doorgebroken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal doorbroken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doorbroken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zal doorgebroken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doorgebroken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou doorbroken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doorbroken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| er zou doorgebroken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doorgebroken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doorbroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorbroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorbroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorbroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorbroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorbroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorbroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorbroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doorgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te doorbreken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben doorbroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn doorgebroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorbreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart doorgebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorbroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waren doorgebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doorgebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorbroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorgebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doorgebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doorgebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd doorbroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden doorbroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werden doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden doorbroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| worden doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt doorbroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorbreken | bijzin, toekomende tijd |
| zal doorbroken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorbroken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorbroken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorbroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorbroken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijn doorgebroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn doorgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doorgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doorgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doorgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorbreken | bijzin, voorwaardelijk |
Vervoeging van doorbreken
doorbrekenhele werkwoord — brak doorverleden tijd enkelvoud — braken doorverleden tijd meervoud — doorbrokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | breek door | brak door |
| jij | breekt door | braakt door |
| hij, zij, het | breekt door | brak door |
| wij | breken door | braken door |
| jullie | breken door | braken door |
| zij | breken door | braken door |
Alle 202 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben doorgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent doorgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| breek door | gebiedende wijs |
| door te breken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen breken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal breken | bijzin, toekomende tijd |
| door zou breken | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden breken | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt breken | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen breken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen breken | bijzin, toekomende tijd |
| door zult breken | bijzin, toekomende tijd |
| doorbraakt | bijzin, verleden tijd |
| doorbrak | verleden tijd |
| doorbrak | bijzin, verleden tijd |
| doorbraken | bijzin, verleden tijd |
| doorbreek | gebiedende wijs |
| doorbreek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorbreekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorbreke | aanvoegende wijs |
| doorbrekend | onvoltooid, deelwoord |
| doorbroken | verleden tijd, deelwoord |
| doorbroken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorbroken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorbroken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorbroken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorbroken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorbroken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorbroken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorbroken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorbroken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorbroken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorbréken | canonical |
| doorgebroken | verleden tijd, deelwoord |
| doorgebroken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorgebroken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| doorgebroken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgebroken te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgebroken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgebroken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorgebroken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| doorgebroken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgebroken zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| doorgebroken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| er is doorbroken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er is doorgebroken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was doorbroken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er was doorgebroken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd doorbroken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er werd doorgebroken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt doorbroken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er wordt doorgebroken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal doorbroken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doorbroken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zal doorgebroken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doorgebroken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou doorbroken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doorbroken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| er zou doorgebroken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doorgebroken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doorbroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorbroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorbroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorbroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorbroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorbroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorbroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorbroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is doorgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is doorgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te doorbreken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben doorbroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn doorgebroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorbreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart doorgebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorbroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waren doorgebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren doorgebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren doorgebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorbroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was doorgebroken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was doorgebroken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was doorgebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd doorbroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden doorbroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werden doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden doorbroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| worden doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt doorbroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt doorgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorbreken | bijzin, toekomende tijd |
| zal doorbroken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorbroken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorbroken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorbroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorbroken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal doorgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal doorgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn doorbroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijn doorgebroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn doorgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn doorgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn doorgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt doorgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorbreken | bijzin, voorwaardelijk |
Herkomst
samenstelling van door bw en breken ww **dóórbreken: van Middelnederlands dorebreken **doorbréken: van Middelnederlands dorebreken
Woordfamilie van doorbreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brak door | verleden tijd | doorbreken |
| braken door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doorbreken |
| breek door | gebiedende wijs | doorbreken |
| breekt door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doorbreken |
| breke door | woordvorm | doorbreken |
| breken door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doorbreken |
| doorbrak | subordinate-clause, verleden tijd | doorbreken |
| doorbreek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorbreken |
| doorbreekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorbreken |
| doorbreke | aanvoegende wijs | doorbreken |
| doorbrekend | onvoltooid deelwoord | doorbreken |
| doorbrekende | woordvorm | doorbreken |
| doorbroken | voltooid deelwoord | doorbreken |
| doorgebroken | voltooid deelwoord | doorbreken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorbreken zijn vastgelegd.