oor
zelfstandig naamwoord, werkwoord /oːr/Betekenis
- lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
- handvat waaraan je een stuk servies kunt optillen
- oude Nederlandse munt ter waarde van een kwart stuiver ofwel twee duiten
- over
- het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
Hoe spreek je oor uit?
/or/
Oor bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| r | rood |
Klinkt hetzelfde als oir.
zelfstandig naamwoord — neuter
- handvat waaraan men een stuk servies kan optillen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| oortje | verkleinwoord |
| oortjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| oren | enkelvoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oren
- gebiedende wijs van oren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oren
Vervoeging van oor
oorhele werkwoord
Herkomst
erfwoord afkomstig van:
Woordfamilie van oor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| oortjes | verkleinwoord | oor |
| ore | neuter | oor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oor zijn vastgelegd.