doorbijten
werkwoordBetekenis
- bijtend in tweeën verdelen
- ondanks moeilijkheden volharden
Vervoeging van doorbijten
doorbijtenhele werkwoord — beet doorverleden tijd enkelvoud — beten doorverleden tijd meervoud — doorgebetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bijt door | beet door |
| jij | bijt door | beet door |
| hij, zij, het | bijt door | beet door |
| wij | bijten door | beten door |
| jullie | bijten door | beten door |
| zij | bijten door | beten door |
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beet door | verleden tijd |
| bijt door | gebiedende wijs |
| door te bijten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen bijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal bijten | bijzin, toekomende tijd |
| door zou bijten | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden bijten | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt bijten | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen bijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen bijten | bijzin, toekomende tijd |
| door zult bijten | bijzin, toekomende tijd |
| doorbeet | bijzin, verleden tijd |
| doorbeten | bijzin, verleden tijd |
| doorbijt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorbijtend | onvoltooid, deelwoord |
| doorgebeten | verleden tijd, deelwoord |
| doorgebeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgebeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| er is doorgebeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was doorgebeten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd doorgebeten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt doorgebeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal doorgebeten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doorgebeten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou doorgebeten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doorgebeten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doorgebeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorgebeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorgebeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorgebeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorgebeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorgebeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorgebeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorgebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgebeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorgebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorgebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorgebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgebeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben doorgebeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doorbijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal doorbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doorbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doorbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doorbijten | bijzin, toekomende tijd |
| zal doorgebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou doorbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doorbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doorbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doorbijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou doorgebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) doorbijten door zou(dt) bijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doorbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doorbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doorbijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorgebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt doorbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doorbijten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doorgebeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen doorbijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doorbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doorbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doorbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen doorbijten | bijzin, toekomende tijd |
| zullen doorgebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doorgebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doorgebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult doorbijten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult doorbijten | bijzin, toekomende tijd |
| zult doorgebeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal doorbijten door zult/zal bijten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van door en bijten
Woordfamilie van doorbijten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beet door | verleden tijd | doorbijten |
| beten door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doorbijten |
| bijt door | gebiedende wijs | doorbijten |
| bijte door | woordvorm | doorbijten |
| bijten door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doorbijten |
| doorbeet | subordinate-clause, verleden tijd | doorbijten |
| doorbeten | subordinate-clause, verleden tijd | doorbijten |
| doorbijt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doorbijten |
| doorbijte | with-subordinate-clause | doorbijten |
| doorbijtend | onvoltooid deelwoord | doorbijten |
| doorbijtende | woordvorm | doorbijten |
| doorgebeten | voltooid deelwoord | doorbijten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorbijten zijn vastgelegd.