Naar de inhoud

doorbijten

bijtend in tweeën verdelen

doorbijten

werkwoord

Betekenis

  1. bijtend in tweeën verdelen
  2. ondanks moeilijkheden volharden

Vervoeging van doorbijten

doorbijtenhele werkwoord — beet doorverleden tijd enkelvoud — beten doorverleden tijd meervoud — doorgebetenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bijt door beet door
jij bijt door beet door
hij, zij, het bijt door beet door
wij bijten door beten door
jullie bijten door beten door
zij bijten door beten door
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
beet door verleden tijd
bijt door gebiedende wijs
door te bijten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
door te zullen bijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
door zal bijten bijzin, toekomende tijd
door zou bijten bijzin, voorwaardelijk
door zouden bijten bijzin, voorwaardelijk
door zoudt bijten bijzin, voorwaardelijk
door zullen bijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
door zullen bijten bijzin, toekomende tijd
door zult bijten bijzin, toekomende tijd
doorbeet bijzin, verleden tijd
doorbeten bijzin, verleden tijd
doorbijt bijzin, tegenwoordige tijd
doorbijtend onvoltooid, deelwoord
doorgebeten verleden tijd, deelwoord
doorgebeten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
doorgebeten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
er is doorgebeten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was doorgebeten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd doorgebeten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt doorgebeten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal doorgebeten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal doorgebeten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou doorgebeten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou doorgebeten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had doorgebeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had doorgebeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had doorgebeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden doorgebeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden doorgebeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden doorgebeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt doorgebeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb doorgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben doorgebeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben doorgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben doorgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben doorgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt doorgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft doorgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft doorgebeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben doorgebeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen doorbijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal doorbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal doorbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal doorbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal doorbijten bijzin, toekomende tijd
zal doorgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal doorgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal doorgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou doorbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou doorbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou doorbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou doorbijten bijzin, voorwaardelijk
zou doorgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou doorgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou doorgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) doorbijten door zou(dt) bijten bijzin, voorwaardelijk
zouden doorbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden doorbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden doorbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden doorbijten bijzin, voorwaardelijk
zouden doorgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden doorgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden doorgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt doorbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt doorbijten bijzin, voorwaardelijk
zoudt doorgebeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen doorbijten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen doorbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen doorbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen doorbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen doorbijten bijzin, toekomende tijd
zullen doorgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen doorgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen doorgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult doorbijten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult doorbijten bijzin, toekomende tijd
zult doorgebeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal doorbijten door zult/zal bijten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van door en bijten

Woordfamilie van doorbijten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
beet door verleden tijd doorbijten
beten door aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon doorbijten
bijt door gebiedende wijs doorbijten
bijte door woordvorm doorbijten
bijten door aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon doorbijten
doorbeet subordinate-clause, verleden tijd doorbijten
doorbeten subordinate-clause, verleden tijd doorbijten
doorbijt subordinate-clause, tegenwoordige tijd doorbijten
doorbijte with-subordinate-clause doorbijten
doorbijtend onvoltooid deelwoord doorbijten
doorbijtende woordvorm doorbijten
doorgebeten voltooid deelwoord doorbijten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doorbijten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over doorbijten

Wat betekent doorbijten?
Doorbijten is een werkwoord. Het woord betekent: bijtend in tweeën verdelen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je doorbijten?
Je vervoegt doorbijten als volgt: het voltooid deelwoord is doorgebeten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord doorbijten is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. D 2
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. B 3
  6. I 1
  7. J 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

doorbijten levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. D 2
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. B 4
  6. I 2
  7. J 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

doorbijten in het kort

doorbijten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van doorbijten zijn 51 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort doorbijten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

doorbijten: bijtend in tweeën verdelen
Deel doorbijten — standaardnederlands.nl