doordraaien
werkwoordBetekenis
- door blijven gaan met draaien
- bij gebrek aan kopers op een veiling planten, bloemen, groente en fruit ter vernietiging vrijgeven
- gek worden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van doordraaien
doordraaienhele werkwoord — draaide doorverleden tijd enkelvoud — draaiden doorverleden tijd meervoud — doorgedraaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | draai door | draaide door |
| jij | draait door | draaide door |
| hij, zij, het | draait door | draaide door |
| wij | draaien door | draaiden door |
| jullie | draaien door | draaiden door |
| zij | draaien door | draaiden door |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| door te draaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| door te zullen draaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| door zal draaien | bijzin, toekomende tijd |
| door zou draaien | bijzin, voorwaardelijk |
| door zouden draaien | bijzin, voorwaardelijk |
| door zoudt draaien | bijzin, voorwaardelijk |
| door zullen draaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| door zullen draaien | bijzin, toekomende tijd |
| door zult draaien | bijzin, toekomende tijd |
| doordraai | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doordraaide | bijzin, verleden tijd |
| doordraaiden | bijzin, verleden tijd |
| doordraaiend | onvoltooid, deelwoord |
| doordraait | bijzin, tegenwoordige tijd |
| doorgedraaid | verleden tijd, deelwoord |
| doorgedraaid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| doorgedraaid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| draai door | gebiedende wijs |
| draaide door | verleden tijd |
| er is doorgedraaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was doorgedraaid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd doorgedraaid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt doorgedraaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal doorgedraaid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal doorgedraaid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou doorgedraaid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou doorgedraaid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had doorgedraaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had doorgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had doorgedraaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden doorgedraaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden doorgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden doorgedraaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt doorgedraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb doorgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgedraaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben doorgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben doorgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben doorgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt doorgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft doorgedraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben doorgedraaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doordraaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal doordraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doordraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doordraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal doordraaien | bijzin, toekomende tijd |
| zal doorgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal doorgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal doorgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou doordraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doordraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doordraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou doordraaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou doorgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou doorgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou doorgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) doordraaien door zou(dt) draaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doordraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doordraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doordraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden doordraaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden doorgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden doorgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden doorgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt doordraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt doordraaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt doorgedraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen doordraaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doordraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doordraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doordraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen doordraaien | bijzin, toekomende tijd |
| zullen doorgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen doorgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen doorgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult doordraaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult doordraaien | bijzin, toekomende tijd |
| zult doorgedraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal doordraaien door zult/zal draaien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van door en draaien
Woordfamilie van doordraaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| doordraai | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doordraaien |
| doordraaide | subordinate-clause, verleden tijd | doordraaien |
| doordraaiden | subordinate-clause, verleden tijd | doordraaien |
| doordraaie | with-subordinate-clause | doordraaien |
| doordraaiend | onvoltooid deelwoord | doordraaien |
| doordraaiende | woordvorm | doordraaien |
| doordraait | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | doordraaien |
| doorgedraaid | voltooid deelwoord | doordraaien |
| doorgedraaide | woordvorm | doordraaien |
| draai door | gebiedende wijs | doordraaien |
| draaide door | verleden tijd | doordraaien |
| draaiden door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doordraaien |
| draaie door | woordvorm | doordraaien |
| draaien door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | doordraaien |
| draait door | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doordraaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doordraaien zijn vastgelegd.