deel
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈdeːl/Betekenis
- een afsplitsing van een hoeveelheid, maat of gewicht, van een geheel waarbij samenstelling, functies of eigenschappen gelijk zijn of buiten beschouwing blijven (kenmerkend is dat de soortnaam van het geheel en de afgesplitsing gelijk is)
- een meeteenheid bij vloeistoffen en stoffen in poedervorm
- een stuk van het geheel
- een werk / boek / aflevering van een serie (bij een boekenserie, filmserie tv-serie)
- een werkruimte in de stal of schuur van een boerderij
- vloerdeel, planken vloer
- A
Hoe spreek je deel uit?
/ˈdel/
Deel bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| e | veel |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| deeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| deeltjes | verkleinwoord, meervoud |
| delen | meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van delen
- gebiedende wijs van delen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van delen
Vervoeging van deel
deelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘gedeelte’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901