kasteel
zelfstandig naamwoord kɑsˈtelBetekenis
- een middeleeuwse versterkte woning, ook wel burcht of slot genoemd
Hoe spreek je kasteel uit?
/kɑsˈtel/
Kasteel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| e | veel |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- middeleeuwse versterkte woning
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kasteeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kasteeltjes | verkleinwoord, meervoud |
| kastelen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘burcht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220
Woordfamilie van kasteel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kasteeltje | verkleinwoord | kasteel |
| kasteeltjes | verkleinwoord meervoud | kasteel |
| kastelen | meervoud | kasteel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kasteel zijn vastgelegd.