plank
zelfstandig naamwoord /plɑŋk/Betekenis
- een plat en langwerpig stuk hout
- een plank om iets op te zetten - schap
Hoe spreek je plank uit?
/plɑŋk/
Plank bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een plank om iets op te zetten -> schap
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| planken | meervoud |
| plankje | verkleinwoord, enkelvoud |
| plankjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘plat stuk hout’ voor het eerst aangetroffen in 1284
Woordfamilie van plank
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plankje | verkleinwoord | plank |
| plankjes | verkleinwoord meervoud | plank |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plank zijn vastgelegd.