toneel
zelfstandig naamwoord /toˈnel/Betekenis
- een ruimte gereedgemaakt voor een vertoning of optreden voor een publiek
- kunstvorm die gebruik maakt van 1 om een publiek op een schouwspel te vergasten
- een schouwspel dat zich ontvouwt alsof het een toneelspel was
Hoe spreek je toneel uit?
/toˈnel/
Toneel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| o | boot |
| n | nek |
| e | veel |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- kunstvorm die gebruik maakt van [1] om een publiek op een schouwspel te vergasten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [1,3]: tonelen | meervoud |
| [1]: toneeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| [1]: toneeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘podium, verhoging in schouwburg’ voor het eerst aangetroffen in 1539
Woordfamilie van toneel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| toneeltje | woordvorm | toneel |
| toneeltjes | meervoud | toneel |
| tonele | neuter | toneel |
| tonelen | meervoud | toneel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toneel zijn vastgelegd.