paneel
zelfstandig naamwoord paˈnelBetekenis
- (rechthoekige) vlakke plaat met of zonder een omlijsting
- rechthoekig (beschilderd) stuk hout
- bedieningsbord, instrumentenbord
Hoe spreek je paneel uit?
/paˈnel/
Paneel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| a | maan |
| n | nek |
| e | veel |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- vlakke plaat met of zonder een omlijsting
- bedieningsbord, instrumentenbord, schakelbord
- houten planken om op te schilderen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| paneeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| paneeltjes | verkleinwoord, meervoud |
| panelen | meervoud |
Herkomst
Van Middelfrans panel zn , "zadelkussen". Verder te herleiden tot Latijn pannellus (zie ook panel zn ). In de betekenis van ‘beschot’ voor het eerst aangetroffen in 1280.
Woordfamilie van paneel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| paneeltje | verkleinwoord | paneel |
| paneeltjes | verkleinwoord meervoud | paneel |
| panelen | meervoud | paneel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paneel zijn vastgelegd.