houweel
zelfstandig naamwoord hɑuˈwelBetekenis
- een metalen werktuig voor hakken in steen of aarde met een beitelvormig uiteinde en een puntvormig uiteinde
- bijl waarmee men bomen kan omhakken
Hoe spreek je houweel uit?
/hɑuˈwel/
Houweel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑu | koud |
| w | quiz |
| e | veel |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- metalen werktuig voor hakken in steen of aarde met een beitelvormig uiteinde en een puntvormig uiteinde
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| houweeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| houweeltjes | verkleinwoord, meervoud |
| houwelen | meervoud |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands van Oudnederlands , in de betekenis van ‘werktuig, bik’ als toenaam aangetroffen vanaf 1160 (waardoor de eerder veronderstelde ontlening aan het Oudfrans minder aannemelijk is)
Woordfamilie van houweel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| houweeltje | verkleinwoord | houweel |
| houweeltjes | verkleinwoord meervoud | houweel |
| houwelen | meervoud | houweel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van houweel zijn vastgelegd.