scheel
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord /sxeːl/Betekenis
- het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
Hoe spreek je scheel uit?
/sxel/
Scheel bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| e | veel |
| l | land |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| scheels | partitief, stellende trap |
| scheelst | onverbogen, overtreffende trap |
| scheelste | verbogen, overtreffende trap |
| schele | verbogen, stellende trap |
| scheler | onverbogen, vergrotende trap |
| schelere | verbogen, vergrotende trap |
| schelers | partitief, vergrotende trap |
zelfstandig naamwoord — neuter
- deksel
- verschil
- scheiding
- schedel
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schelen
- gebiedende wijs van schelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schelen
Vervoeging van scheel
scheelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘loens’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van scheel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| scheels | partitive, positive | scheel |
| scheelst | uninflected, superlative | scheel |
| scheelste | inflected, superlative | scheel |
| scheeltje | woordvorm | scheel |
| scheeltjes | meervoud | scheel |
| scheler | vergrotende trap | scheel |
| schelere | verbogen vergrotende trap | scheel |
| schelers | partitieve vergrotende trap | scheel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scheel zijn vastgelegd.