origineel
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord ˌoriʒiˈnelBetekenis
- een voorwerp dat is gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker
- enige of zeer zeldzaam in zijn soort, eigenaardig
- gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker, oorspronkelijk
- vernieuwend
Hoe spreek je origineel uit?
/ˌoriʒiˈnel/
Origineel bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| r | rood |
| i | riet |
| ʒ | journaal |
| n | nek |
| e | veel |
| l | land |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- voorwerp, gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker, waarvan een of kopieën zijn gemaakt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| origineeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| origineeltjes | verkleinwoord, meervoud |
| originelen | meervoud |
Herkomst
van Frans originel, op te vatten als afgeleid van origine met het achtervoegsel -eel, in de betekenis van ‘oorspronkelijk’ voor het eerst aangetroffen in 1709
Woordfamilie van origineel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| origineels | woordvorm | origineel |
| origineelst | woordvorm | origineel |
| origineelste | woordvorm | origineel |
| origineeltje | verkleinwoord | origineel |
| origineeltjes | verkleinwoord meervoud | origineel |
| originele | woordvorm | origineel |
| originelen | meervoud | origineel |
| origineler | woordvorm | origineel |
| originelere | woordvorm | origineel |
| originelers | woordvorm | origineel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van origineel zijn vastgelegd.