kardeel
zelfstandig naamwoord kɑrˈdelBetekenis
- een touw dat gebruikt wordt om een vlag of wimpel op de gewenste hoogte te houden
- één van de strengen waaruit een kabel samen gedraaid is
- vat
Hoe spreek je kardeel uit?
/kɑrˈdel/
Kardeel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| d | dak |
| e | veel |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- touw dat gebruikt wordt om een vlag of wimpel op de gewenste hoogte te houden
- een van de strengen waaruit een kabel samengedraaid is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kardeeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kardeeltjes | verkleinwoord, meervoud |
| kardelen | meervoud |
zelfstandig naamwoord — neuter
- vat met een inhoud van ongeveer 200 tot 230 liter
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kardeeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kardeeltjes | verkleinwoord, meervoud |
| kardelen | meervoud |
Woordfamilie van kardeel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kardeeltje | verkleinwoord | kardeel |
| kardeeltjes | verkleinwoord meervoud | kardeel |
| kardelen | meervoud | kardeel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kardeel zijn vastgelegd.