deelhebben
werkwoordBetekenis
- ~ aan deel zijn van iets en er mede verantwoordelijk voor zijn
Vervoeging van deelhebben
deelhebbenhele werkwoord — had deelverleden tijd enkelvoud — hadden deelverleden tijd meervoud — deelgehadvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | heb deel | had deel |
| jij | hebt deel | (hadt deel) |
| hij, zij, het | heeft deel | had deel |
| wij | hebben deel | hadden deel |
| jullie | hebben deel | hadden deel |
| zij | hebben deel | hadden deel |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| deel te hebben | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| deel te zullen hebben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| deel zal hebben | bijzin, toekomende tijd |
| deel zou hebben | bijzin, voorwaardelijk |
| deel zouden hebben | bijzin, voorwaardelijk |
| deel zoudt hebben | bijzin, voorwaardelijk |
| deel zullen hebben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| deel zullen hebben | bijzin, toekomende tijd |
| deel zult hebben | bijzin, toekomende tijd |
| deelgehad | verleden tijd, deelwoord |
| deelgehad te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| deelgehad zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| deelhad | bijzin, verleden tijd |
| deelhadden | bijzin, verleden tijd |
| deelhadt | bijzin, verleden tijd |
| deelheb | bijzin, tegenwoordige tijd |
| deelhebbend | onvoltooid, deelwoord |
| deelhebt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| deelheeft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had deel | verleden tijd |
| had deelgehad | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had deelgehad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had deelgehad | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden deelgehad | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden deelgehad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden deelgehad | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt deelgehad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb deel | gebiedende wijs |
| heb deelgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben deelgehad | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben deelgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben deelgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben deelgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt deelgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft deelgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft deelgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben deelgehad | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen deelhebben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal deelgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal deelgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal deelgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal deelhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal deelhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal deelhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal deelhebben | bijzin, toekomende tijd |
| zou deelgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou deelgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou deelgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou deelhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou deelhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou deelhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou deelhebben | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) deelhebben deel zou(dt) hebben | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden deelgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden deelgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden deelgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden deelhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden deelhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden deelhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden deelhebben | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt deelgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt deelhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt deelhebben | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen deelgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen deelgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen deelgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen deelhebben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen deelhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen deelhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen deelhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen deelhebben | bijzin, toekomende tijd |
| zult deelgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult deelhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult deelhebben | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal deelhebben deel zult/zal hebben | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van deel en hebben
Woordfamilie van deelhebben
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| deelgehad | voltooid deelwoord | deelhebben |
| deelhad | subordinate-clause, verleden tijd | deelhebben |
| deelhadden | subordinate-clause, verleden tijd | deelhebben |
| deelheb | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | deelhebben |
| deelhebbe | with-subordinate-clause | deelhebben |
| deelhebbend | onvoltooid deelwoord | deelhebben |
| deelhebbende | woordvorm | deelhebben |
| had deel | verleden tijd | deelhebben |
| hadden deel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | deelhebben |
| heb deel | gebiedende wijs | deelhebben |
| hebbe deel | woordvorm | deelhebben |
| hebben deel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | deelhebben |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van deelhebben zijn vastgelegd.