deelnemen
werkwoord ˈdelnemə(n)Betekenis
- aan: meedoen, meevoelen
Hoe spreek je deelnemen uit?
/ˈdelnemən/
Deelnemen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| e | veel |
| l | land |
| n | nek |
| m | maan |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ~ aan: meedoen, meevoelen
Vervoeging van deelnemen
deelnemenhele werkwoord — nam deelverleden tijd enkelvoud — namen deelverleden tijd meervoud — deelgenomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | neem deel | nam deel |
| jij | neemt deel | naamt deel |
| hij, zij, het | neemt deel | nam deel |
| wij | nemen deel | namen deel |
| jullie | nemen deel | namen deel |
| zij | nemen deel | namen deel |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| deel te nemen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| deel te zullen nemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| deel zal nemen | bijzin, toekomende tijd |
| deel zou nemen | bijzin, voorwaardelijk |
| deel zouden nemen | bijzin, voorwaardelijk |
| deel zoudt nemen | bijzin, voorwaardelijk |
| deel zullen nemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| deel zullen nemen | bijzin, toekomende tijd |
| deel zult nemen | bijzin, toekomende tijd |
| deelgenomen | verleden tijd, deelwoord |
| deelgenomen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| deelgenomen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| deelnaamt | bijzin, verleden tijd |
| deelnam | bijzin, verleden tijd |
| deelnamen | bijzin, verleden tijd |
| deelneem | bijzin, tegenwoordige tijd |
| deelneemt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| deelnemend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had deelgenomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had deelgenomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had deelgenomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden deelgenomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden deelgenomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden deelgenomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt deelgenomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb deelgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben deelgenomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben deelgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben deelgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben deelgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt deelgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft deelgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft deelgenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| nam deel | verleden tijd |
| neem deel | gebiedende wijs |
| te hebben deelgenomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen deelnemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal deelgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal deelgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal deelgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal deelnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal deelnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal deelnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal deelnemen | bijzin, toekomende tijd |
| zou deelgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou deelgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou deelgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou deelnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou deelnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou deelnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou deelnemen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) deelnemen deel zou(dt) nemen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden deelgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden deelgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden deelgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden deelnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden deelnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden deelnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden deelnemen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt deelgenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt deelnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt deelnemen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen deelgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen deelgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen deelgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen deelnemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen deelnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen deelnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen deelnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen deelnemen | bijzin, toekomende tijd |
| zult deelgenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult deelnemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult deelnemen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal deelnemen deel zult/zal nemen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van deel en nemen
Woordfamilie van deelnemen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| deelgenomen | voltooid deelwoord | deelnemen |
| deelnam | subordinate-clause, verleden tijd | deelnemen |
| deelneem | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | deelnemen |
| deelneemt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | deelnemen |
| deelneme | with-subordinate-clause | deelnemen |
| naamt deel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | deelnemen |
| nam deel | verleden tijd | deelnemen |
| namen deel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | deelnemen |
| neem deel | gebiedende wijs | deelnemen |
| neemt deel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | deelnemen |
| neme deel | woordvorm | deelnemen |
| nemen deel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | deelnemen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van deelnemen zijn vastgelegd.