barbeel
zelfstandig naamwoord bɑr'belBetekenis
- Barbus barbus, een vis van de middenlopen van rivieren
Hoe spreek je barbeel uit?
/bɑrˈbel/
Barbeel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| e | veel |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaalde vissoort die voorkomt in de middenlopen van rivieren, Barbus barbus
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| barbeeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| barbeeltjes | verkleinwoord, meervoud |
| barbelen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Woordfamilie van barbeel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| barbeeltje | verkleinwoord | barbeel |
| barbeeltjes | verkleinwoord meervoud | barbeel |
| barbelen | meervoud | barbeel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van barbeel zijn vastgelegd.