fluweel
zelfstandig naamwoord flyˈwelBetekenis
- een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde of katoen met de kettingdraden zijn meegeweven en zijn afgesneden
Hoe spreek je fluweel uit?
/flyˈwel/
Fluweel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| l | land |
| y | fuut |
| w | quiz |
| e | veel |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde of katoen met de kettingdraden zijn meegeweven en afgesneden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| fluweeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| fluweeltjes | verkleinwoord, meervoud |
| fluwelen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘geweven stof’ voor het eerst aangetroffen in 1336
Woordfamilie van fluweel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fluweeltje | verkleinwoord | fluweel |
| fluweeltjes | verkleinwoord meervoud | fluweel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van fluweel zijn vastgelegd.