kanteel
zelfstandig naamwoord /kɑnˈtel/Betekenis
- elk van de opstaande delen van de getande bovenkant van (oude) verdedigingsmuren
Hoe spreek je kanteel uit?
/kɑnˈtel/
Kanteel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| e | veel |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kanteeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kanteeltjes | verkleinwoord, meervoud |
| kantelen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘opstaand deel van muur’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Woordfamilie van kanteel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kanteeltje | verkleinwoord | kanteel |
| kanteeltjes | verkleinwoord meervoud | kanteel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kanteel zijn vastgelegd.