weergalmen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- door terugkaatsing bij herhaling hoorbaar zijn
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van weergalmen
weergalmenhele werkwoord — weergalmdeverleden tijd enkelvoud — weergalmdenverleden tijd meervoud — weergalmdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | weergalm | weergalmde |
| jij | weergalmt | weergalmde |
| hij, zij, het | weergalmt | weergalmde |
| wij | weergalmen | weergalmden |
| jullie | weergalmen | weergalmden |
| zij | weergalmen | weergalmden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had weergalmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had weergalmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had weergalmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden weergalmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden weergalmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden weergalmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt weergalmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb weergalmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weergalmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben weergalmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weergalmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben weergalmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt weergalmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weergalmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weergalmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben weergalmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te weergalmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen weergalmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weergalm | gebiedende wijs |
| weergalmd | verleden tijd, deelwoord |
| weergalmd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weergalmd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weergalmde | verleden tijd |
| weergalme | aanvoegende wijs |
| weergalmend | onvoltooid, deelwoord |
| zal weergalmd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weergalmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal weergalmd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal weergalmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal weergalmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal weergalmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou weergalmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weergalmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weergalmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weergalmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou weergalmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou weergalmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden weergalmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weergalmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weergalmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weergalmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weergalmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weergalmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt weergalmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weergalmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen weergalmd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weergalmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weergalmd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weergalmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen weergalmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weergalmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weergalmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult weergalmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weergalmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord weergalm
Herkomst
samenstelling van weer bw en galmen
Woordfamilie van weergalmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| weergalmd | voltooid deelwoord | weergalmen |
| weergalmde | verleden tijd | weergalmen |
| weergalmden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | weergalmen |
| weergalme | aanvoegende wijs | weergalmen |
| weergalmend | onvoltooid deelwoord | weergalmen |
| weergalmende | woordvorm | weergalmen |
| weergalmt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | weergalmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weergalmen zijn vastgelegd.