weren
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- de toegang ontzeggen
- een aanval afslaan
- zich ~: zich verdedigen
- zich ~: zich inspannen
Vervoeging van weren
werenhele werkwoord — weerdeverleden tijd enkelvoud — weerdenverleden tijd meervoud — geweerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | weer | weerde |
| jij | weert | weerde |
| hij, zij, het | weert | weerde |
| wij | weren | weerden |
| jullie | weren | weerden |
| zij | weren | weerden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geweerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geweerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geweerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geweerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geweerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geweerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geweerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geweerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geweerd | verleden tijd, deelwoord |
| geweerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geweerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geweerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geweerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geweerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geweerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geweerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geweerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geweerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geweerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geweerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geweerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geweerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geweerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geweerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geweerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te weren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen weren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geweerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geweerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geweerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geweerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geweerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weer | gebiedende wijs |
| weer me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| weer u/je , weert je | gebiedende wijs |
| weerde | verleden tijd |
| weerde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| weerde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| weerde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| weerde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| weerde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| weerde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| weerde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| weerden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| weerden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| weerden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| weert je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| weert u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| weert u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| weert zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| weert zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| weert zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| werd geweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geweerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| were | aanvoegende wijs |
| were zich | aanvoegende wijs |
| weren je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| weren ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| weren zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| werend | onvoltooid, deelwoord |
| word geweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geweerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geweerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geweerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me weren | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal weren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal weren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal weren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich weren | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je weren | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich geweerd hebben | verleden tijd |
| zich werend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn geweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geweerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou weren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou weren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geweerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geweerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geweerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geweerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord weer
Herkomst
In de betekenis van ‘tegenhouden’ voor het eerst aangetroffen in 1050
Woordfamilie van weren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geweerd | voltooid deelwoord | weren |
| geweerde | woordvorm | weren |
| weerde | verleden tijd | weren |
| weerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | weren |
| weert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | weren |
| were | aanvoegende wijs | weren |
| werend | onvoltooid deelwoord | weren |
| werende | woordvorm | weren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weren zijn vastgelegd.