Naar de inhoud

voorbijzien

ergens langs kijken zonder het op te merken, veronachtzamen

voorbijzien

werkwoord vorˈbɛizin

Betekenis

  1. ergens langs kijken zonder het op te merken, veronachtzamen

Hoe spreek je voorbijzien uit?

/vorˈbɛizin/

Voorbijzien bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /vorˈbɛizin/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
o boot
r rood
b bak
ɛi trein
z zon
i riet
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van voorbijzien

voorbijzienhele werkwoord — zag voorbijverleden tijd enkelvoud — zagen voorbijverleden tijd meervoud — voorbijgezienvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zie voorbij zag voorbij
jij ziet voorbij zaagt voorbij
hij, zij, het ziet voorbij zag voorbij
wij zien voorbij zagen voorbij
jullie zien voorbij zagen voorbij
zij zien voorbij zagen voorbij
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had voorbijgezien voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorbijgezien voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorbijgezien voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorbijgezien voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorbijgezien voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorbijgezien voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorbijgezien voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voorbijgezien voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorbijgezien actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorbijgezien voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorbijgezien voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorbijgezien voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorbijgezien voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorbijgezien voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorbijgezien voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben voorbijgezien actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorbijzien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorbij te zien actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorbij te zullen zien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorbij zal zien bijzin, toekomende tijd
voorbij zou zien bijzin, voorwaardelijk
voorbij zouden zien bijzin, voorwaardelijk
voorbij zoudt zien bijzin, voorwaardelijk
voorbij zullen zien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorbij zullen zien bijzin, toekomende tijd
voorbij zult zien bijzin, toekomende tijd
voorbijgezien verleden tijd, deelwoord
voorbijgezien te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorbijgezien zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorbijzaagt bijzin, verleden tijd
voorbijzag bijzin, verleden tijd
voorbijzagen bijzin, verleden tijd
voorbijzie bijzin, tegenwoordige tijd
voorbijziend onvoltooid, deelwoord
voorbijziet bijzin, tegenwoordige tijd
zag voorbij verleden tijd
zal voorbijgezien hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorbijgezien hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorbijgezien hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorbijzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorbijzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorbijzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorbijzien bijzin, toekomende tijd
zie voorbij gebiedende wijs
zou voorbijgezien hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorbijgezien hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorbijgezien hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorbijzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorbijzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorbijzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorbijzien bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorbijzien voorbij zou(dt) zien bijzin, voorwaardelijk
zouden voorbijgezien hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorbijgezien hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorbijgezien hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorbijzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorbijzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorbijzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorbijzien bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorbijgezien hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorbijzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorbijzien bijzin, voorwaardelijk
zullen voorbijgezien hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorbijgezien hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorbijgezien hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorbijzien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorbijzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorbijzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorbijzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorbijzien bijzin, toekomende tijd
zult voorbijgezien hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult voorbijzien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult voorbijzien bijzin, toekomende tijd
zult/zal voorbijzien voorbij zult/zal zien bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van voorbij en zien

Woordfamilie van voorbijzien

Woordvorm Relatie Afgeleid van
voorbijgezien voltooid deelwoord voorbijzien
voorbijzag subordinate-clause, verleden tijd voorbijzien
voorbijzagen subordinate-clause, verleden tijd voorbijzien
voorbijzie subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorbijzien
voorbijziend onvoltooid deelwoord voorbijzien
voorbijziende woordvorm voorbijzien
voorbijziet subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorbijzien
zag voorbij verleden tijd voorbijzien
zagen voorbij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorbijzien
zie voorbij gebiedende wijs voorbijzien
zien voorbij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorbijzien
ziet voorbij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorbijzien

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorbijzien zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over voorbijzien

Hoe spreek ik voorbijzien uit?
Zo spreek je voorbijzien uit: /vorˈbɛizin/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van voorbijzien?
Voorbijzien is een werkwoord. De betekenis is: ergens langs kijken zonder het op te merken, veronachtzamen.
Hoe vervoeg ik voorbijzien?
Zo vervoeg je voorbijzien zo: het voltooid deelwoord is voorbijgezien. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorbijzien is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. B 3
  6. I 1
  7. J 4
  8. Z 4
  9. I 1
  10. E 1
  11. N 1
  12. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorbijzien levert met Wordfeud minimaal 27 en maximaal 111 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. B 4
  6. I 2
  7. J 4
  8. Z 5
  9. I 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 27 zonder bonus
  13. 111 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorbijzien in het kort

voorbijzien staat in dit woordenboek als werkwoord. Van voorbijzien staan er 47 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort voorbijzien bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

voorbijzien: ergens langs kijken zonder het op te merken, veronachtzamen
Deel voorbijzien — standaardnederlands.nl