Naar de inhoud

voorbijvaren

inhalen door te varen

voorbijvaren

werkwoord

Betekenis

  1. inhalen door te varen
  2. naar een punt toe varen en dan verder gaan

Vervoeging van voorbijvaren

voorbijvarenhele werkwoord — voer voorbijverleden tijd enkelvoud — voeren voorbijverleden tijd meervoud — voorbijgevarenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vaar voorbij voer voorbij
jij vaart voorbij voer voorbij
hij, zij, het vaart voorbij voer voorbij
wij varen voorbij voeren voorbij
jullie varen voorbij voeren voorbij
zij varen voorbij voeren voorbij
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben voorbijgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent voorbijgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is voorbijgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is voorbijgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn voorbijgevaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorbijvaren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vaar voorbij gebiedende wijs
voer voorbij verleden tijd
voorbij te varen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorbij te zullen varen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorbij zal varen bijzin, toekomende tijd
voorbij zou varen bijzin, voorwaardelijk
voorbij zouden varen bijzin, voorwaardelijk
voorbij zoudt varen bijzin, voorwaardelijk
voorbij zullen varen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorbij zullen varen bijzin, toekomende tijd
voorbij zult varen bijzin, toekomende tijd
voorbijgevaren verleden tijd, deelwoord
voorbijgevaren te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorbijgevaren zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorbijvaar bijzin, tegenwoordige tijd
voorbijvaart bijzin, tegenwoordige tijd
voorbijvarend onvoltooid, deelwoord
voorbijvoer bijzin, verleden tijd
voorbijvoeren bijzin, verleden tijd
waart voorbijgevaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorbijgevaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren voorbijgevaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorbijgevaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
was voorbijgevaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was voorbijgevaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was voorbijgevaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal voorbijgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorbijgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorbijgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorbijvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorbijvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorbijvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorbijvaren bijzin, toekomende tijd
zijn voorbijgevaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn voorbijgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn voorbijgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn voorbijgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt voorbijgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou voorbijgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorbijgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorbijgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorbijvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorbijvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorbijvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorbijvaren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorbijvaren voorbij zou(dt) varen bijzin, voorwaardelijk
zouden voorbijgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorbijgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorbijgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorbijvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorbijvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorbijvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorbijvaren bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorbijgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorbijvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorbijvaren bijzin, voorwaardelijk
zullen voorbijgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorbijgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorbijgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorbijvaren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorbijvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorbijvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorbijvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorbijvaren bijzin, toekomende tijd
zult voorbijgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult voorbijvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult voorbijvaren bijzin, toekomende tijd
zult/zal voorbijvaren voorbij zult/zal varen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van voorbij en varen

Woordfamilie van voorbijvaren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
vaar voorbij gebiedende wijs voorbijvaren
vaart voorbij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorbijvaren
vare voorbij woordvorm voorbijvaren
varen voorbij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorbijvaren
voer voorbij verleden tijd voorbijvaren
voeren voorbij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorbijvaren
voorbijgevaren voltooid deelwoord voorbijvaren
voorbijvaar subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorbijvaren
voorbijvaart subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorbijvaren
voorbijvare with-subordinate-clause voorbijvaren
voorbijvarend onvoltooid deelwoord voorbijvaren
voorbijvarende woordvorm voorbijvaren
voorbijvoer subordinate-clause, verleden tijd voorbijvaren
voorbijvoeren subordinate-clause, verleden tijd voorbijvaren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorbijvaren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over voorbijvaren

Wat is de betekenis van voorbijvaren?
Voorbijvaren is een werkwoord. De betekenis is: inhalen door te varen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik voorbijvaren?
Zo vervoeg je voorbijvaren zo: het voltooid deelwoord is voorbijgevaren. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorbijvaren is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. B 3
  6. I 1
  7. J 4
  8. V 4
  9. A 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorbijvaren levert met Wordfeud minimaal 27 en maximaal 105 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. B 4
  6. I 2
  7. J 4
  8. V 4
  9. A 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 27 zonder bonus
  14. 105 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorbijvaren in het kort

voorbijvaren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van voorbijvaren staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort voorbijvaren bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

voorbijvaren: inhalen door te varen
Deel voorbijvaren — standaardnederlands.nl