voorbijvaren
werkwoordBetekenis
- inhalen door te varen
- naar een punt toe varen en dan verder gaan
Vervoeging van voorbijvaren
voorbijvarenhele werkwoord — voer voorbijverleden tijd enkelvoud — voeren voorbijverleden tijd meervoud — voorbijgevarenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vaar voorbij | voer voorbij |
| jij | vaart voorbij | voer voorbij |
| hij, zij, het | vaart voorbij | voer voorbij |
| wij | varen voorbij | voeren voorbij |
| jullie | varen voorbij | voeren voorbij |
| zij | varen voorbij | voeren voorbij |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben voorbijgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorbijgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is voorbijgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorbijgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn voorbijgevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorbijvaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vaar voorbij | gebiedende wijs |
| voer voorbij | verleden tijd |
| voorbij te varen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorbij te zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbij zal varen | bijzin, toekomende tijd |
| voorbij zou varen | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zouden varen | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zoudt varen | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorbij zullen varen | bijzin, toekomende tijd |
| voorbij zult varen | bijzin, toekomende tijd |
| voorbijgevaren | verleden tijd, deelwoord |
| voorbijgevaren te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbijgevaren zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorbijvaar | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorbijvaart | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorbijvarend | onvoltooid, deelwoord |
| voorbijvoer | bijzin, verleden tijd |
| voorbijvoeren | bijzin, verleden tijd |
| waart voorbijgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorbijgevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorbijgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorbijgevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorbijgevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorbijgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorbijgevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal voorbijgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorbijgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorbijgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorbijvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorbijvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorbijvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorbijvaren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voorbijgevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn voorbijgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorbijgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorbijgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorbijgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorbijgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorbijgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorbijgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorbijvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorbijvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorbijvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorbijvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorbijvaren voorbij zou(dt) varen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorbijgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorbijgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorbijgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorbijvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorbijvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorbijvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorbijvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorbijgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorbijvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorbijvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorbijgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorbijgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorbijgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorbijvaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorbijvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorbijvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorbijvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorbijvaren | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorbijgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voorbijvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voorbijvaren | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal voorbijvaren voorbij zult/zal varen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voorbij en varen
Woordfamilie van voorbijvaren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vaar voorbij | gebiedende wijs | voorbijvaren |
| vaart voorbij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorbijvaren |
| vare voorbij | woordvorm | voorbijvaren |
| varen voorbij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorbijvaren |
| voer voorbij | verleden tijd | voorbijvaren |
| voeren voorbij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorbijvaren |
| voorbijgevaren | voltooid deelwoord | voorbijvaren |
| voorbijvaar | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorbijvaren |
| voorbijvaart | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorbijvaren |
| voorbijvare | with-subordinate-clause | voorbijvaren |
| voorbijvarend | onvoltooid deelwoord | voorbijvaren |
| voorbijvarende | woordvorm | voorbijvaren |
| voorbijvoer | subordinate-clause, verleden tijd | voorbijvaren |
| voorbijvoeren | subordinate-clause, verleden tijd | voorbijvaren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorbijvaren zijn vastgelegd.