voorbijgaan
werkwoord vorˈbɛiɣanBetekenis
- langs een bepaald punt gaan
- tot verleden gaan behoren
- niet in beschouwing nemen
Hoe spreek je voorbijgaan uit?
/vorˈbɛixan/
Voorbijgaan bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| o | boot |
| r | rood |
| b | bak |
| ɛi | trein |
| x | acht |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van voorbijgaan
voorbijgaanhele werkwoord — ging voorbijverleden tijd enkelvoud — gingen voorbijverleden tijd meervoud — voorbijgegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga voorbij | ging voorbij |
| jij | gaat voorbij | ging voorbij |
| hij, zij, het | gaat voorbij | ging voorbij |
| wij | gaan voorbij | gingen voorbij |
| jullie | gaan voorbij | gingen voorbij |
| zij | gaan voorbij | gingen voorbij |
Alle 84 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben voorbijgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorbijgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is voorbijgegaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorbijgegaan | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorbijgegaan | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorbijgegaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorbijgegaan worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorbijgegaan zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorbijgegaan worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorbijgegaan zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga voorbij | gebiedende wijs |
| ging voorbij | verleden tijd |
| is voorbijgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorbijgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn voorbijgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorbijgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbij te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorbij te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbij zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| voorbij zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| voorbij zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorbij zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| voorbij zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| voorbijga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorbijgaand | onvoltooid, deelwoord |
| voorbijgaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorbijgegaan | verleden tijd, deelwoord |
| voorbijgegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorbijgegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorbijging | bijzin, verleden tijd |
| voorbijgingen | bijzin, verleden tijd |
| voorbijgingt | bijzin, verleden tijd |
| waart voorbijgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorbijgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorbijgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorbijgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorbijgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorbijgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorbijgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal voorbijgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorbijgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorbijgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorbijgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal voorbijgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorbijgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorbijgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn voorbijgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn voorbijgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorbijgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorbijgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorbijgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorbijgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorbijgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorbijgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorbijgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou voorbijgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorbijgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorbijgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) voorbijgaan voorbij zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorbijgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorbijgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorbijgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorbijgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorbijgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorbijgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorbijgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt voorbijgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorbijgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorbijgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen voorbijgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorbijgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorbijgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorbijgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorbijgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zullen voorbijgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorbijgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorbijgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult voorbijgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voorbijgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorbijgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal voorbijgaan voorbij zult/zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voorbij bw en gaan ww
Woordfamilie van voorbijgaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ga voorbij | gebiedende wijs | voorbijgaan |
| gaan voorbij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorbijgaan |
| gaat voorbij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorbijgaan |
| ging voorbij | verleden tijd | voorbijgaan |
| gingen voorbij | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorbijgaan |
| voorbijga | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorbijgaan |
| voorbijgaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorbijgaan |
| voorbijgegaan | voltooid deelwoord | voorbijgaan |
| voorbijging | subordinate-clause, verleden tijd | voorbijgaan |
| voorbijgingen | subordinate-clause, verleden tijd | voorbijgaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorbijgaan zijn vastgelegd.