Naar de inhoud

voorbijfietsen

op de fiets voorbijgaan

voorbijfietsen

werkwoord

Betekenis

  1. op de fiets voorbijgaan
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van voorbijfietsen

voorbijfietsenhele werkwoord — fietste voorbijverleden tijd enkelvoud — fietsten voorbijverleden tijd meervoud — voorbijgefietstvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik fiets voorbij fietste voorbij
jij fietst voorbij fietste voorbij
hij, zij, het fietst voorbij fietste voorbij
wij fietsen voorbij fietsten voorbij
jullie fietsen voorbij fietsten voorbij
zij fietsen voorbij fietsten voorbij
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben voorbijgefietst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent voorbijgefietst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
fiets voorbij gebiedende wijs
fietste voorbij verleden tijd
is voorbijgefietst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is voorbijgefietst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn voorbijgefietst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorbijfietsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorbij te fietsen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorbij te zullen fietsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorbij zal fietsen bijzin, toekomende tijd
voorbij zou fietsen bijzin, voorwaardelijk
voorbij zouden fietsen bijzin, voorwaardelijk
voorbij zoudt fietsen bijzin, voorwaardelijk
voorbij zullen fietsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorbij zullen fietsen bijzin, toekomende tijd
voorbij zult fietsen bijzin, toekomende tijd
voorbijfiets bijzin, tegenwoordige tijd
voorbijfietsend onvoltooid, deelwoord
voorbijfietst bijzin, tegenwoordige tijd
voorbijfietste bijzin, verleden tijd
voorbijfietsten bijzin, verleden tijd
voorbijgefietst verleden tijd, deelwoord
voorbijgefietst te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorbijgefietst zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart voorbijgefietst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorbijgefietst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren voorbijgefietst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorbijgefietst voltooid, verleden tijd, derde persoon
was voorbijgefietst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was voorbijgefietst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was voorbijgefietst voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal voorbijfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorbijfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorbijfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorbijfietsen bijzin, toekomende tijd
zal voorbijgefietst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorbijgefietst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorbijgefietst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn voorbijgefietst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn voorbijgefietst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn voorbijgefietst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn voorbijgefietst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt voorbijgefietst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou voorbijfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorbijfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorbijfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorbijfietsen bijzin, voorwaardelijk
zou voorbijgefietst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorbijgefietst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorbijgefietst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) voorbijfietsen voorbij zou(dt) fietsen bijzin, voorwaardelijk
zouden voorbijfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorbijfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorbijfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorbijfietsen bijzin, voorwaardelijk
zouden voorbijgefietst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorbijgefietst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorbijgefietst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt voorbijfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorbijfietsen bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorbijgefietst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen voorbijfietsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorbijfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorbijfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorbijfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorbijfietsen bijzin, toekomende tijd
zullen voorbijgefietst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorbijgefietst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorbijgefietst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult voorbijfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult voorbijfietsen bijzin, toekomende tijd
zult voorbijgefietst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal voorbijfietsen voorbij zult/zal fietsen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van voorbij bw en fietsen ww

Woordfamilie van voorbijfietsen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
fiets voorbij gebiedende wijs voorbijfietsen
fietse voorbij woordvorm voorbijfietsen
fietsen voorbij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorbijfietsen
fietst voorbij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorbijfietsen
fietste voorbij verleden tijd voorbijfietsen
fietsten voorbij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorbijfietsen
voorbijfiets subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorbijfietsen
voorbijfietse with-subordinate-clause voorbijfietsen
voorbijfietsend onvoltooid deelwoord voorbijfietsen
voorbijfietsende woordvorm voorbijfietsen
voorbijfietst subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorbijfietsen
voorbijfietste subordinate-clause, verleden tijd voorbijfietsen
voorbijfietsten subordinate-clause, verleden tijd voorbijfietsen
voorbijgefietst voltooid deelwoord voorbijfietsen
voorbijgefietste woordvorm voorbijfietsen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorbijfietsen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over voorbijfietsen

Wat betekent voorbijfietsen?
Voorbijfietsen is een werkwoord. Het woord betekent: op de fiets voorbijgaan. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je voorbijfietsen?
Je vervoegt voorbijfietsen als volgt: het voltooid deelwoord is voorbijgefietst. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorbijfietsen is 28 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. B 3
  6. I 1
  7. J 4
  8. F 4
  9. I 1
  10. E 1
  11. T 2
  12. S 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 28 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorbijfietsen levert met Wordfeud minimaal 31 en maximaal 117 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. B 4
  6. I 2
  7. J 4
  8. F 4
  9. I 2
  10. E 1
  11. T 2
  12. S 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 31 zonder bonus
  16. 117 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorbijfietsen in het kort

voorbijfietsen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van voorbijfietsen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort voorbijfietsen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

voorbijfietsen: op de fiets voorbijgaan
Deel voorbijfietsen — standaardnederlands.nl