voorbidden
werkwoordBetekenis
- in naam van anderen bidden
Vervoeging van voorbidden
voorbiddenhele werkwoord — bad voorverleden tijd enkelvoud — baden voorverleden tijd meervoud — voorgebedenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bid voor | bad voor |
| jij | bidt voor | bad voor |
| hij, zij, het | bidt voor | bad voor |
| wij | bidden voor | baden voor |
| jullie | bidden voor | baden voor |
| zij | bidden voor | baden voor |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bad voor | verleden tijd |
| bid voor | gebiedende wijs |
| er is voorgebeden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorgebeden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorgebeden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorgebeden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorgebeden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorgebeden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorgebeden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorgebeden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorgebeden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgebeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgebeden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgebeden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgebeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgebeden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorgebeden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorgebeden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgebeden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorgebeden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgebeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgebeden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorgebeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgebeden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgebeden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben voorgebeden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorbidden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te bidden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen bidden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal bidden | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou bidden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden bidden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt bidden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen bidden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen bidden | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult bidden | bijzin, toekomende tijd |
| voorbad | bijzin, verleden tijd |
| voorbaden | bijzin, verleden tijd |
| voorbid | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorbiddend | onvoltooid, deelwoord |
| voorbidt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorgebeden | verleden tijd, deelwoord |
| voorgebeden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgebeden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zal voorbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorbidden | bijzin, toekomende tijd |
| zal voorgebeden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgebeden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgebeden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou voorbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorbidden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou voorgebeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgebeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgebeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) voorbidden voor zou(dt) bidden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorbidden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgebeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgebeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgebeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt voorbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorbidden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgebeden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen voorbidden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorbidden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen voorgebeden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgebeden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgebeden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult voorbidden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voorbidden | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorgebeden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal voorbidden voor zult/zal bidden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voor en bidden
Woordfamilie van voorbidden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bad voor | verleden tijd | voorbidden |
| baden voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorbidden |
| bid voor | gebiedende wijs | voorbidden |
| bidde voor | woordvorm | voorbidden |
| bidden voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorbidden |
| bidt voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorbidden |
| voorbad | subordinate-clause, verleden tijd | voorbidden |
| voorbaden | subordinate-clause, verleden tijd | voorbidden |
| voorbid | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorbidden |
| voorbidde | with-subordinate-clause | voorbidden |
| voorbiddend | onvoltooid deelwoord | voorbidden |
| voorbiddende | woordvorm | voorbidden |
| voorbidt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorbidden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorbidden zijn vastgelegd.